Stichting Steungroep Dappere Burgers
18 juni 2026 Wanneer zorgvuldigheid een obstakel wordt Hans Peltenburg en Ed van Hoorn, stervensbuddy’s bij de SDB Zes dagen geleden verscheen in NRC een interview van journalist Christiaan Pelgrim met psychiater Sisco van Veen over de aangescherpte richtlijn voor euthanasie bij psychisch lijden. Van Veen was voorzitter van de commissie die deze richtlijn voor volwassen ggz-clinten opstelde. Op termijn volgt nog een afzonderlijke richtlijn voor jongeren bij wie euthanasie vanwege psychisch lijden aan de orde kan zijn. Wie het interview leest, ziet een duidelijke rode draad: meer procedurele waarborgen. De second opinion wordt uitgebreider, multidisciplinair overleg krijgt een grotere rol en artsen worden nadrukkelijker aangespoord hun eigen gevoelens en overtuigingen kritisch te onderzoeken. Dat klinkt zorgvuldig en verantwoord. Toch roept het ook een fundamentele vraag op: voor wie wordt deze extra zorgvuldigheid eigenlijk georganiseerd? Wat opvalt, is dat de aandacht opnieuw verschuift naar professionals en hun verantwoordelijkheden. De stem van de clint lijkt daarbij steeds verder naar de achtergrond te verdwijnen. Die ontwikkeling is niet los te zien van de maatschappelijke discussie die momenteel wordt gevoerd. Eerder berichtte Trouw over een brief van veertien psychiaters en artsen aan het Openbaar Ministerie, waarin werd aangedrongen op een strafrechtelijk vooronderzoek naar de euthanasie van Milou, een meisje van 17 jaar. Tegen die achtergrond krijgt de nieuwe richtlijn extra betekenis. Wat vandaag voor volwassenen wordt vastgelegd, kan morgen de toon zetten voor jongeren. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat een beroepsrichtlijn niet hetzelfde is als de wet. De Nederlandse Euthanasiewet blijft onverminderd van kracht. Psychiaters die zich niet herkennen in deze aangescherpte koers behouden binnen de wettelijke kaders ruimte voor hun eigen professionele en morele afwegingen. Een richtlijn mag richting geven, maar mag geen instrument worden waarmee de deur voorbaat verder op slot wordt gezet. Uiteraard moet een verzoek om hulp bij het levenseinde uiterst zorgvuldig worden beoordeeld. De dood is onomkeerbaar. Maar hetzelfde geldt voor een leven dat tegen iemands diepste overtuiging in wordt voortgezet. Ook dat is onomkeerbaar in de tijd die iemand nog rest. Wanneer iemand wilsbekwaam is en gedurende lange tijd consequent aangeeft dat het psychisch lijden niet langer draaglijk is, mag die persoon niet uitsluitend worden teruggebracht tot een diagnose, behandelgeschiedenis of risicoprofiel. Uiteindelijk draait het om een aantal wezenlijke vragen: begrijpt iemand de beslissing? Kan hij of zij de gevolgen overzien? Zijn alternatieven serieus besproken? Is er sprake van vrijwilligheid en afwezigheid van druk van buitenaf? Als die vragen overtuigend met "ja" kunnen worden beantwoord, dan hoort de uiteindelijke beslissing in de eerste plaats toe aan de betrokken ggz-clint zelf. Niet aan de uitvoerende arts, niet aan de second-opinion psychiater en niet aan een multidisciplinair overleg dat vooral bedoeld lijkt om de onzekerheid van professionals te organiseren. Vanuit ons project Stervensbuddyzorg spreken wij steeds vaker wilsbekwame ggz-clinten die het gesprek met artsen of psychiaters niet eens meer aangaan. Niet omdat hun doodswens impulsief of vluchtig is, maar omdat zij weten dat een traject vaak twee tot drie jaar kan duren. Voor mensen die soms al tientallen jaren met ernstig psychisch lijden leven, voelt zo'n procedure niet langer als zorgvuldigheid, maar als een nieuwe uithoudingsproef. Daarom keren wij ons niet tegen zorgvuldigheid als zodanig. Wij keren ons tegen een vorm van zorgvuldigheid die de macht steeds verder verschuift van de clint naar het professionele systeem. Meer overleg, meer drempels en meer procedures kunnen voor hulpverleners veiliger voelen, maar lossen het onderliggende probleem niet op. Mensen verdwijnen daardoor niet uit hun doodswens. Het risico is juist dat zij hun toevlucht zoeken tot eenzame, chaotische en voor nabestaanden traumatische manieren om hun leven te beindigen. Een eerlijker benadering begint bij een andere machtsverdeling. Laat onafhankelijk toetsen of iemand wilsbekwaam is. Leg vast dat er geen druk van buitenaf bestaat. Documenteer dat rele zorg- en behandelmogelijkheden zijn besproken. Bied ruimte voor een zelfgekozen naaste als steunfiguur gedurende het proces. En onderzoek serieus of het mogelijk moet zijn dat een wilsbekwame ggz-clint, na een zorgvuldige en onafhankelijke toetsing, zelf de beschikking kan krijgen over een gereguleerd oraal euthanaticum dat zelfstandig kan worden ingenomen. Op die manier blijft de regie bij degene om wiens leven het gaat, terwijl de behandelaar niet zelf de levensbeindigende handeling hoeft uit te voeren. Dat kan zowel recht doen aan de autonomie van de clint als de morele belasting voor artsen verminderen. De kern van de discussie is uiteindelijk eenvoudig: zorgvuldigheid is noodzakelijk, maar mag nooit veranderen in een vetorecht van professionals. Zodra de onzekerheid van het systeem zwaarder gaat wegen dan het actuele, weloverwogen oordeel van een wilsbekwame clint, dreigt zelfbeschikking een leeg begrip te worden. Hans Peltenburg & Ed van Hoorn Stervensbuddy's Bronnen en links NRC-interview met Sisco van Veen (12 juni 2026):https://www.nrc.nl/nieuws/2026/06/12/aangescherpte-richtlijn-moet-euthanasie-bij- psychisch-lijden-zorgvuldiger-maken-we-gaan-van-een-6-naar-een-8-a4929224 Trouw over de oproep tot strafrechtelijk onderzoek naar de euthanasie van Milou (17):https://www.trouw.nl/binnenland/psychiaters-eisen-strafrechtelijk-onderzoek-naar- euthanasie-van-milou-17~b270167f/
Steungroep Dappere Burgers Email info@steungroepdappereburgers.nl
18 juni 2026 Wanneer zorgvuldigheid een obstakel wordt Hans Peltenburg en Ed van Hoorn, stervensbuddy’s bij de SDB Zes dagen geleden verscheen in NRC een interview van journalist Christiaan Pelgrim met psychiater Sisco van Veen over de aangescherpte richtlijn voor euthanasie bij psychisch lijden. Van Veen was voorzitter van de commissie die deze richtlijn voor volwassen ggz-clinten opstelde. Op termijn volgt nog een afzonderlijke richtlijn voor jongeren bij wie euthanasie vanwege psychisch lijden aan de orde kan zijn. Wie het interview leest, ziet een duidelijke rode draad: meer procedurele waarborgen. De second opinion wordt uitgebreider, multidisciplinair overleg krijgt een grotere rol en artsen worden nadrukkelijker aangespoord hun eigen gevoelens en overtuigingen kritisch te onderzoeken. Dat klinkt zorgvuldig en verantwoord. Toch roept het ook een fundamentele vraag op: voor wie wordt deze extra zorgvuldigheid eigenlijk georganiseerd? Wat opvalt, is dat de aandacht opnieuw verschuift naar professionals en hun verantwoordelijkheden. De stem van de clint lijkt daarbij steeds verder naar de achtergrond te verdwijnen. Die ontwikkeling is niet los te zien van de maatschappelijke discussie die momenteel wordt gevoerd. Eerder berichtte Trouw over een brief van veertien psychiaters en artsen aan het Openbaar Ministerie, waarin werd aangedrongen op een strafrechtelijk vooronderzoek naar de euthanasie van Milou, een meisje van 17 jaar. Tegen die achtergrond krijgt de nieuwe richtlijn extra betekenis. Wat vandaag voor volwassenen wordt vastgelegd, kan morgen de toon zetten voor jongeren. Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat een beroepsrichtlijn niet hetzelfde is als de wet. De Nederlandse Euthanasiewet blijft onverminderd van kracht. Psychiaters die zich niet herkennen in deze aangescherpte koers behouden binnen de wettelijke kaders ruimte voor hun eigen professionele en morele afwegingen. Een richtlijn mag richting geven, maar mag geen instrument worden waarmee de deur voorbaat verder op slot wordt gezet. Uiteraard moet een verzoek om hulp bij het levenseinde uiterst zorgvuldig worden beoordeeld. De dood is onomkeerbaar. Maar hetzelfde geldt voor een leven dat tegen iemands diepste overtuiging in wordt voortgezet. Ook dat is onomkeerbaar in de tijd die iemand nog rest. Wanneer iemand wilsbekwaam is en gedurende lange tijd consequent aangeeft dat het psychisch lijden niet langer draaglijk is, mag die persoon niet uitsluitend worden teruggebracht tot een diagnose, behandelgeschiedenis of risicoprofiel. Uiteindelijk draait het om een aantal wezenlijke vragen: begrijpt iemand de beslissing? Kan hij of zij de gevolgen overzien? Zijn alternatieven serieus besproken? Is er sprake van vrijwilligheid en afwezigheid van druk van buitenaf? Als die vragen overtuigend met "ja" kunnen worden beantwoord, dan hoort de uiteindelijke beslissing in de eerste plaats toe aan de betrokken ggz-clint zelf. Niet aan de uitvoerende arts, niet aan de second-opinion psychiater en niet aan een multidisciplinair overleg dat vooral bedoeld lijkt om de onzekerheid van professionals te organiseren. Vanuit ons project Stervensbuddyzorg spreken wij steeds vaker wilsbekwame ggz-clinten die het gesprek met artsen of psychiaters niet eens meer aangaan. Niet omdat hun doodswens impulsief of vluchtig is, maar omdat zij weten dat een traject vaak twee tot drie jaar kan duren. Voor mensen die soms al tientallen jaren met ernstig psychisch lijden leven, voelt zo'n procedure niet langer als zorgvuldigheid, maar als een nieuwe uithoudingsproef. Daarom keren wij ons niet tegen zorgvuldigheid als zodanig. Wij keren ons tegen een vorm van zorgvuldigheid die de macht steeds verder verschuift van de clint naar het professionele systeem. Meer overleg, meer drempels en meer procedures kunnen voor hulpverleners veiliger voelen, maar lossen het onderliggende probleem niet op. Mensen verdwijnen daardoor niet uit hun doodswens. Het risico is juist dat zij hun toevlucht zoeken tot eenzame, chaotische en voor nabestaanden traumatische manieren om hun leven te beindigen. Een eerlijker benadering begint bij een andere machtsverdeling. Laat onafhankelijk toetsen of iemand wilsbekwaam is. Leg vast dat er geen druk van buitenaf bestaat. Documenteer dat rele zorg- en behandelmogelijkheden zijn besproken. Bied ruimte voor een zelfgekozen naaste als steunfiguur gedurende het proces. En onderzoek serieus of het mogelijk moet zijn dat een wilsbekwame ggz-clint, na een zorgvuldige en onafhankelijke toetsing, zelf de beschikking kan krijgen over een gereguleerd oraal euthanaticum dat zelfstandig kan worden ingenomen. Op die manier blijft de regie bij degene om wiens leven het gaat, terwijl de behandelaar niet zelf de levensbeindigende handeling hoeft uit te voeren. Dat kan zowel recht doen aan de autonomie van de clint als de morele belasting voor artsen verminderen. De kern van de discussie is uiteindelijk eenvoudig: zorgvuldigheid is noodzakelijk, maar mag nooit veranderen in een vetorecht van professionals. Zodra de onzekerheid van het systeem zwaarder gaat wegen dan het actuele, weloverwogen oordeel van een wilsbekwame clint, dreigt zelfbeschikking een leeg begrip te worden. Hans Peltenburg & Ed van Hoorn Stervensbuddy's Bronnen en links NRC-interview met Sisco van Veen (12 juni 2026):https://www.nrc.nl/nieuws/2026/06/12/aange scherpte-richtlijn-moet-euthanasie-bij- psychisch-lijden-zorgvuldiger-maken-we-gaan-van- een-6-naar-een-8-a4929224 Trouw over de oproep tot strafrechtelijk onderzoek naar de euthanasie van Milou (17):https://www.trouw.nl/binnenland/psychiaters- eisen-strafrechtelijk-onderzoek-naar- euthanasie-van-milou-17~b270167f/